31 May 2026 Liturgie 31-05-2026 18:30

Voorganger: ds. F.A. Visser
Voorzang:
Psalm 48 vers: 4
  1. Wij, o verheven Majesteit,
    Gedenken Uw weldadigheid
    In't midden van Uw heil'ge woning.
    Gelijk Uw naam is, grote Koning,
    Bij ons terecht geprezen,
    Zo is Uw roem gerezen,
    En bij de volken zeer vermaard,
    Tot aan het uiterst' eind der aard.
    Uw rechterhand, die't kwaad niet duldt,
    Is met gerechtigheid vervuld. 
Psalm 13 vers: 1, 3 en 5
  1. Hoe lang, o HEER, mijn toeverlaat,
    Vergeet Gij mijnen jammer-staat?
    Hoe lang zult Gij, in mijn ellenden,
    Van mij Uw vriend'lijk aanschijn wen - den?
    Daar al mijn moed en kracht vergaat? 
  1. Aanschouw mijn ramp, verhoor mij, HEER;
    Ai, zie op al mijn lijden neer;
    Verlicht, mijn God, verlicht mijn ogen,
    En laat Uw goedheid niet gedo - gen,
    Dat mij de slaap des doods verteer'. 
  1. Maar, in dit smartelijk verdriet,
    Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet;
    Neen, 't zal zich in Uw heil verblijden.
    Ik zal den HEER mijn lofzang wij - den,
    Die mij genadig bijstand biedt. 
Psalm 40 vers: 2
  1. Hij geeft m' opnieuw een danklied tot Zijn eer,
    Een lofzang. Velen zullen 't zien,
    En God eerbiedig hulde biên,
    Hem vrezen, en vertrouwen op den HEER.
    Wel hem, die 't Opperwezen
    Dus kinderlijk mag vrezen,
    Op Hem vertrouwen stelt,
    En, in gevaar, geen kracht
    Van ijd'le trotsaards wacht,
    Van leugen of geweld. 
Psalmen 95: 1 - 11
  1. Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.
  2. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
  3. Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
  4. In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;
  5. Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
  6. Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.
  1. Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,
  2. Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;
  3. Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
  4. Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
  5. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
Filippenzen 2: 1 - 13
  1. Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde, indien er enige gemeenschap is des Geestes, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn;
  2. Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde.
  3. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven.
  4. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.
  5. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;
  6. Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn;
  7. Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;
  1. En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.
  2. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;
  3. Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
  4. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.
  5. Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven:
  6. Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Psalm 95 vers: 2 en 3
  1. De HEER is groot, een heerlijk God,
    Een Koning, die het zaligst lot,
    Ver boven alle goôn, kan schenken.
    Het diepst van 's aardrijks ingewand,
    Het hoogst gebergt' is in Zijn hand;
    't Is al gehoorzaam op Zijn wenken. 
  1. Zijn' is de zee; z' is door Zijn kracht
    Met al het droge voortgebracht;
    't Moet alles naar Zijn wetten horen.
    Komt, buigen w' ons dan biddend neer;
    Komt, laat ons knielen voor den HEER,
    Die ons gemaakt heeft en verkoren. 
Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?

Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

Waarom noemt gij Hem onzen Heere?

Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo Zich tot een eigendom gemaakt.

Verkondiging n.a.v Fil 2:11 'Jezus Kurios'
Psalm 17 vers: 4
  1. Maak Uwe weldaân wonderbaar,
    Gij, die Uw kind'ren wilt behoeden
    Voor 's vijands macht en vrees'lijk woeden,
    En hen beschermt in 't grootst gevaar.
    Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;
    Uw zorg bewaak' mij van omhoog;
    Bewaar m' als d' appel van het oog;
    Wil mij met Uwe vleuglen dekken. 
Psalm 145 vers: 2
  1. Ik zal, o HEER, dien ik mijn Koning noem,
    Den luister van Uw majesteit en roem
    Verbreiden, en Uw wonderlijke daân
    Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
    Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
    De grote kracht van Uwen arm verhogen;
    Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,
    En overal Uw grootheid openbaren.