31 May 2026 Liturgie 31-05-2026 09:30

Voorganger: ds. N.A. Donselaar uit Middelharnis
Voorzang:
Psalm 92 vers: 1 en 2
  1. Laat ons den rustdag wijden
    Met psalmen tot Gods eer.
    't Is goed, o Opperheer,
    Dat w' ons in U verblijden;
    't Zij d' ochtendstond, vol zoetheid,
    Ons stelt Uw gunst in 't licht,
    't Zij ons de nacht bericht
    Van Uwe trouw en goedheid. 
  1. 't Voegt ons met blijde klanken,
    Door 't voorbedachte lied,
    Hem, die het al gebiedt,
    Op harp en luit te danken.
    Gij hebt door Uw vermogen,
    O HEER, mijn hart verheugd;
    Ik zal, verrukt van vreugd,
    Uw grote daân verhogen. 
Psalm 36 vers: 2
  1. Uw goedheid, HEER, is hemelhoog;
    Uw waarheid tot den wolkenboog;
    Uw recht is als Gods bergen;
    Uw oordeel grond'loos; Gij behoedt,
    En zegent mens en beest, en doet
    Uw hulp nooit vrucht'loos vergen.
    Hoe groot is Uw goedgunstigheid!
    Hoe zijn Uw vleug'len uitgebreid!
    Hier wordt de rust geschonken;
    Hier 't vette van Uw huis gesmaakt;
    Een volle beek van wellust maakt
    Hier elk in liefde dronken. 
Psalm 51 vers: 5 en 6
  1. Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
    Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden;
    Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden,
    En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
    Herschep mijn hart, en reinig Gij, o HEER,
    Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;
    Vernieuw in mij een vasten geest, en leer
    Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven. 
  1. Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet;
    Ai, laat van mij Uw Heil'gen Geest niet scheiden.
    Die kan alleen op 't rechte spoor mij leiden;
    Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet.
    Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest,
    De blijdschap weer; doe op Uw heil mij hopen;
    Laat mij, gesterkt door enen eed'len geest,
    Volvaardig 't pad van Uw geboden lopen. 
Psalm 68 vers: 10 en 16
  1. Geloofd zij God met diepst ontzag!
    Hij overlaadt ons, dag aan dag,
    Met Zijne gunstbewijzen.
    Die God is onze zaligheid;
    Wie zou die hoogste Majesteit
    Dan niet met eerbied prijzen?
    Die God is ons een God van heil;
    Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
    Ons 't eeuwig, zalig leven;
    Hij kan, èn wil, èn zal in nood,
    Zelfs bij het naad'ren van den dood,
    Volkomen uitkomst geven. 
  1. Gij koninkrijken, zingt Gods lof;
    Heft psalmen op naar 't hemelhof,
    Van ouds Zijn troon en woning;
    Waar Hij, bekleed met eer en macht,
    Zijn sterke stem verheft met kracht,
    En heerst als Sions Koning.
    Geeft sterkt' aan onzen God en HEER;
    Hij heeft in Israël Zijn eer
    En hoogheid willen tonen.
    Erkent dien God; Hij is geducht;
    Hij doet Zijn sterkte boven lucht
    En boven wolken wonen. 
Psalm 67 vers: 1 en 3
  1. D' algoede God zij ons genadig,
    En zegen' ons met overvloed;
    Hij doe Zijn aangezicht gestadig
    Ons lichten, en Hij zij ons goed;
    Opdat elk genegen
    Zich aan Uwe wegen
    Op deez' aarde wenn';
    En de blinde heiden,
    Nu van God gescheiden,
    Eens Uw heil erkenn'. 
  1. De volken zullen, HEER, U loven;
    O HEER, U loven altemaal,
    Die d' aarde vruchtbaar maakt van boven,
    Dat z' ons op haar gewas onthaal'.
    God is ons genegen;
    Onze God geeft zegen.
    Hij, die alles geeft,
    Hij zal zijn geprezen;
    Hem zal alles vrezen,
    Wat op aarde leeft. 
Psalm 118 vers: 12
  1. Dit is de dag, de roem der dagen,
    Dien Isrels God geheiligd heeft;
    Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
    Hem roemen, die ons blijdschap geeft.
    Och HEER, geef thans Uw zegeningen;
    Och HEER, geef heil op dezen dag;
    Och, dat men op deez' eerstelingen
    Een rijken oogst van voorspoed zag. 
Jesaja 12: 1 - 6
  1. Op die dag zult u zeggen:Ik dank U, HEERE, dat U toornig op mij geweest bent,maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij.
  2. Zie, God is mijn heil,ik zal vertrouwen en geen angst hebben,want mijn kracht en psalm is de HEEREHEERE,en Hij is mij tot heil geworden.
  3. U zult met vreugde water scheppenuit de bronnen van het heil.
  1. Op die dag zult u zeggen:Dank de HEERE, roep Zijn Naam aan,maak Zijn daden bekend onder de volken,roep in herinnering dat Zijn Naam hoogverheven is.
  2. Zing psalmen voor de HEERE, want Hij heeft zeer grote dingen gedaan.Laat dit bekend worden over heel de aarde!
  3. Juich en zing vrolijk, inwoonster van Sion,want groot in uw midden is de Heilige van Israël.
Johannes 7: 1 - 2
  1. En hierna trok Jezus rond in Galilea, want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden.
  1. En het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, was aanstaande.
Johannes 7: 11 - 15
  1. De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden: Waar is Hij?
  2. En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte.
  3. Toch sprak niemand openlijk over Hem, uit vrees voor de Joden.
  1. Maar toen het feest al half voorbij was, ging Jezus naar de tempel en gaf onderwijs.
  2. En de Joden verwonderden zich en zeiden: Hoe kent Hij de Schriften zonder daarin onderwezen te zijn?
Johannes 7: 25 - 39
  1. Sommigen dan van de inwoners van Jeruzalem zeiden: Is Hij het niet Die zij proberen te doden?
  2. En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen niets tegen Hem. Zouden onze leiders soms werkelijk tot de erkenning zijn gekomen dat Híj werkelijk de Christus is?
  3. Maar van Hém weten wij waar Hij vandaan komt; wanneer echter de Christus komt, weet niemand waar Hij vandaan komt.
  4. Jezus dan riep in de tempel, terwijl Hij onderwijs gaf en zei: U kent Mij niet alleen, maar u weet ook waar Ik vandaan kom; en Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij Die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en Hem kent u niet.
  5. Maar Ik ken Hem, want Ik ben van Hem afkomstig, en Hij heeft Mij gezonden.
  6. Zij probeerden Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn uur was nog niet gekomen.
  7. En velen uit de menigte kwamen tot geloof in Hem en zeiden: Wanneer de Christus komt, zal Hij toch niet meer tekenen doen dan Híj gedaan heeft?
  8. De Farizeeën hoorden dat de menigte dit over Hem mompelde, en de Farizeeën en de overpriesters stuurden dienaars om Hem te grijpen.
  1. Jezus dan zei tegen hen: Nog een korte tijd ben Ik bij u en dan ga Ik heen naar Hem Die Mij gezonden heeft.
  2. U zult Mij zoeken maar niet vinden, en waar Ik ben, kunt u niet komen.
  3. De Joden dan zeiden tegen elkaar: Waar zal Hij naartoe gaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Hij zal toch niet naar de Grieken in de verstrooiing gaan en de Grieken onderwijzen?
  4. Wat is dit voor een woord dat Hij gezegd heeft: U zult Mij zoeken maar niet vinden; en waar Ik ben, kunt u niet komen?
  5. En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep: Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken.
  6. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.
  7. En dit zei Hij over de Geest, Die zij die in Hem geloven, ontvangen zouden; want de Heilige Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.
Thema: 'Jezus geeft levend water.'
Herziene Statenvertaling
De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Herziene Statenvertaling © Stichting Herziening Statenvertaling (HSV)