23 August 2026 Liturgie 23-08-2026 18:30

Voorganger: ds F.A. Visser
Voorzang:
Psalm 24 vers: 2
  1. Wie klimt den berg des HEEREN op?
    Wie zal dien Godgewijden top,
    Voor 't oog van Sions God, betreden?
    De man, die, rein van hart en hand,
    Zich niet aan ijdelheid verpandt,
    En geen bedrog pleegt in zijn eden. 
Psalm 24 vers: 3 en 4
  1. Die zal, door 's HEEREN gunst geleid,
    En zegen en gerechtigheid
    Van God, den God zijns heils, ontvangen.
    Dit 's Jacob, dit is't vroom geslacht,
    Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht,
    En zoekt Zijn aanschijn met verlangen. 
  1. Verhoogt, o poorten, nu den boog;
    Rijst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog;
    Opdat de Koning in moog' rijden.
    Wie is die Vorst, zo groot in eer?
    't Is God, d' almachtig' Opperheer;
    't Is God, geweldig in het strijden. 
Psalm 40 vers: 3 en 4
  1. Mijn God, Gij hebt Uw wond'ren groot gemaakt;
    Wie is 't, die 't onbepaald getal
    Van Uw gedachten melden zal?
    Wat geest zo vlug, wat tong zo welbespraakt?
    Geen slachtvee, geen altaren,
    Vol spijs ten offer, waren
    Het voorwerp van Uw lust;
    Gij hebt mij naar Uw woord,
    Mijn oren doorgeboord,
    En 't lichaam toegerust. 
  1. Brandofferen, noch offer voor de schuld,
    Voldeden aan Uw eis, noch eer.
    Toen zeid' ik: Zie, ik kom, o HEER;
    De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
    Mijn ziel, U opgedragen,
    Wil U alleen behagen;
    Mijn liefd' en ijver brandt:
    Ik draag Uw heil'ge wet,
    Die Gij den sterv'ling zet,
    In 't binnenst' ingewand.
Hebreeën 9: 11 - 15
  1. Maar toen is Christus verschenen, de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte tabernakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is.
  2. Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht.
  3. Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees,
  1. hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!
  2. En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.
Hebreeën 10: 1 - 26
  1. Want de wet, die slechts een schaduw heeft van de toekomstige heilsgoederen en niet het wezen van de dingen zelf, kan nooit met dezelfde offers, die zij jaar in jaar uit ononderbroken brengen, hen die naderen tot volmaaktheid brengen.
  2. Zou er anders niet een einde gekomen zijn aan het offeren? Want zij die de dienst verrichtten, zouden zich dan in geen enkel opzicht meer bewust zijn van zonden, wanneer zij eens en voor altijd gereinigd waren.
  3. Maar nu wordt men door deze offers elk jaar opnieuw aan de zonden herinnerd.
  4. Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt.
  5. Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld: Slachtoffer en graanoffer hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt.
  6. Brandoffers en offers voor de zonde hebben U niet behaagd.
  7. Toen zei Ik: Zie, Ik kom – in de boekrol is over Mij geschreven – om Uw wil te doen, o God.
  8. Daarvoor had Hij gezegd: Slachtoffer en graanoffer en brandoffers en offers voor de zonde hebt U niet gewild en zij hebben U niet behaagd, hoewel zij overeenkomstig de wet worden gebracht.
  9. Daarna sprak Hij: Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg om het tweede daarvoor in de plaats te zetten.
  10. Op grond van die wil zijn wij geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd gebracht.
  11. En iedere priester stond wel dagelijks te dienen en bracht vaak dezelfde slachtoffers, die de zonden toch nooit zouden kunnen wegnemen,
  12. maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God.
  13. Verder wacht Hij op het tijdstip dat Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten gemaakt worden.
  1. Want met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt.
  2. En de Heilige Geest getuigt het ons ook.
  3. Want na eerst gezegd te hebben: Dit is het verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun verstand schrijven,
  4. en aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken.
  5. Waar er nu vergeving voor is, is er geen offer voor de zonde meer nodig.
  6. Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,
  7. langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees,
  8. en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God,
  9. laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.
  10. Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw.
  11. En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.
  12. Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.
  13. Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over,
Psalm 69 vers: 7 en 13
  1. Hoor mij, o HEER, Uw goedertierenheid
    Is goed; zie mij dan aan met gunstig' ogen.
    Hoe teer, hoe groot is mij Uw mededogen!
    Verhoor Uw knecht, die hete tranen schreit.
    Verberg voor hem Uw aangezicht toch niet,
    Want ik bezwijk door angst en tegenheden;
    Ai, haast U mij ter hulp in mijn verdriet;
    De nood klimt hoog; verhoor mijn smeekgebeden. 
  1. Dat zal den HEER veel aangenamer zijn
    Dan os of var, die hunnen klauw verdelen.
    De blijdschap zal het hart der vromen strelen,
    Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.
    Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,
    Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;
    Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet;
    Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. 
Wat verstaat gij door het woordeken: 'geleden'?

Dat Hij aan lichaam en ziel, den gansen tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve.

Waarom heeft Hij 'onder den rechter Pontius Pilatus' geleden?

Omdat Hij, onschuldig onder de wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.

Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een anderen dood gestorven ware?

Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft; dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.

Verkondiging n.a.v. Hebreeën 9:14

'De toegang is vrij-door Golgotha'

Psalm 32 vers: 4 en 6
  1. Gij zijt mij, HEER, ter schuilplaats in gevaren;
    Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;
    G' Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,
    Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
    Mijn leer zal u, o mens, naar't recht doen hand'len,
    En wijzen u den weg dien gij zult wand'len;
    Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
    Terwijl mijn oog op u gevestigd staat. 
  1. Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,
    Verheugd in God, naar waarde nooit te danken;
    Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd,
    Gij, die oprecht van hart en wandel zijt. 
Psalm 20 vers: 3 en 5
  1. Dan zal 't gejuich ten hemel dringen;
    Dan zullen wij Gods eer,
    Bij opgestoken vaandels, zingen.
    Uw wens vervull' de HEER.
    'k Weet nu, dat Gods gezalfden Koning
    Geen heilgoed zal ontbreken.
    Want God zal, uit Zijn hemelwoning,
    Hem sterken op zijn smeken. 
  1. Behoud, o HEER, wil bijstand zenden,
    Verlos, bewaar, verschoon.
    Die Koning hoor', als w' in ellenden
    Aanbidden voor Zijn troon. 
Herziene Statenvertaling
De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Herziene Statenvertaling © Stichting Herziening Statenvertaling (HSV)