11 January 2026 Liturgie 11-01-2026 18:30

Voorganger ds. J.H. Lammers uit Oud-Alblas
Voorzang:
Psalm 33 vers: 11
  1. Laat ons alom Zijn lof ontvouwen:
    In Hem verblijdt zich ons gemoed,
    Omdat wij op Zijn naam vertrouwen,
    Dien Naam, zo heilig, groot en goed.
    Goedertieren Vader,
    Milde zegenader,
    Stel Uw vriend'lijk hart,
    Op Wiens gunst wij hopen,
    Eeuwig voor ons open;
    Weer steeds alle smart. 
Psalm 103 vers: 1 en 2
  1. Loof, loof den HEER, mijn ziel, met alle krachten;
    Verhef Zijn naam, zo groot, zo heilig t' achten;
    Och of nu al, wat in mij is, Hem preez'!
    Loof, loof, mijn ziel, den Hoorder der gebeden;
    Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden;
    Vergeet ze niet; 't is God, die z' u bewees. 
  1. Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,
    Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;
    Uw krankheên kent en liefderijk geneest;
    Die van 't verderf uw leven wil verschonen,
    Met goedheid en barmhartigheên u kronen;
    Die in den nood uw redder is geweest.
Psalm 106 vers: 26
  1. Geloofd zij Isrels grote God.
    Zijn gunst schenk' ons dit heilgenot;
    Zo zullen wij Zijn goedheid danken.
    Dat al wat leeft, Hem eeuwig eer'!
    Al 't volk zegg' Amen op mijn klanken;
    Juich, aarde, loof den Opperheer! 
Psalm 32 vers: 1 en 3
  1. Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
    Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
    Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
    Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt.
    Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren,
    Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,
    En die in't vroom en ongeveinsd gemoed,
    Geen snood bedrog, maar blank' oprechtheid voedt. 
  1. 'k Bekend', o HEER, aan U oprecht mijn zonden;
    'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;
    Maar ik beleed na ernstig overleg,
    Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg.
    Dies zal tot U een ieder van de vromen,
    In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen;
    Een zee van ramp moog' met haar golven slaan,
    Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
Psalm 119 vers: 61
  1. Gerechtigheid en recht heb ik gedaan;
    Geef mij dan niet in 's onderdrukkers handen;
    Wees Gij mijn borg, en neem de rechtzaak aan
    Van Uwen knecht, daar Gij hem aan ziet randen;
    Laat trotsaards toch niet stout'lijk meer bestaan
    Mij, naar hun wens, te knellen in hun banden. 
Psalm 73 vers: 12 en 13
  1. 'k Zal dan gedurig bij U zijn,
    In al mijn noden, angst en pijn;
    U al mijn liefde waardig schatten,
    Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
    Gij zult mij leiden door Uw raad,
    O God, mijn heil, mijn toeverlaat;
    En mij, hiertoe door U bereid,
    Opnemen in Uw heerlijkheid. 
  1. Wien heb ik nevens U omhoog?
    Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
    Op aarde nevens U toch lusten?
    Niets is er, waar ik in kan rusten.
    Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart
    Of bangen nood, mijn vlees en hart,
    Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
    Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed. 
Jesaja 38: 9 - 22
  1. Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.
  2. Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.
  3. Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.
  4. Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
  5. Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
  6. Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.
  7. Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
  1. Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
  2. Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
  3. Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
  4. De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.
  5. De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.
  6. Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.
  7. En Hizkia had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik ten huize des HEEREN zal opgaan?
Hebreeën 7: 22 - 28
  1. Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.
  2. En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;
  3. Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap.
  4. Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
  1. Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;
  2. Dien het niet allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.
  3. Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon, Die in der eeuwigheid geheiligd is.
Tekst: Jesaja 38:14b

Thema: "De Borg voor ons leven."