30 March 2025 Liturgie 30-03-2025 09:30

Voorganger ds. N.A. Donselaar uit Middelharnis
Voorzang:
Psalm 100 vers: 1, 2 en 4
  1. Juich, aarde, juicht alom den HEER;
    Dient God met blijdschap, geeft Hem eer;
    Komt, nadert voor Zijn aangezicht;
    Zingt Hem een vrolijk lofgedicht. 
  1. De HEER is God; erkent, dat Hij
    Ons heeft gemaakt (en geenszins wij)
    Tot schapen, die Hij voedt en weidt;
    Een volk, tot Zijnen dienst bereid. 
  1. Want goedertieren is de HEER;
    Zijn goedheid eindigt nimmermeer;
    Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht
    Tot in het laatste nageslacht. 
Psalm 72 vers: 8 en 9
  1. Zo moet de Koning eeuwig leven!
    Bidt elk met diep ontzag;
    Men zal Hem 't goud van Scheba geven,
    Hem zeeg'nen, dag bij dag.
    Is op het land een handvol koren,
    Gekoesterd door de zon,
    't Zal op 't gebergt' geruis doen horen,
    Gelijk de Libanon. 
  1. De stedelingen zullen bloeien,
    Gelijk het malse kruid.
    Zijn naam en roem zal eeuwig groeien;
    Ook zal, eeuw in, eeuw uit,
    Het nageslacht Zijn grootheid zingen,
    Zolang het zonlicht schijn',
    Hun zal een schat van zegeningen,
    In Hem, ten erfdeel zijn. 
Psalm 25 vers: 6
  1. Wie heeft lust den HEER te vrezen,
    't Allerhoogst en eeuwig goed?
    God zal Zelf zijn Leidsman wezen;
    Leren, hoe hij wand'len moet.
    't Goed, dat nimmermeer vergaat,
    Zal hij ongestoord verwerven,
    En zijn Godgeheiligd zaad
    Zal 't gezegend aard'rijk erven. 
Psalm 105 vers: 5
  1. God zal Zijn waarheid nimmer krenken,
    Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.
    Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,
    Tot in het duizendste geslacht.
    't Verbond met Abraham, Zijn vrind,
    Bevestigt Hij van kind tot kind. 
Psalm 134 vers: 3
  1. Dat 's HEEREN zegen op u daal';
    Zijn gunst uit Sion u bestraal';
    Hij schiep 't heelal, Zijn naam ter eer;
    Looft, looft dan aller heren HEER. 
Psalm 115 vers: 1, 6 en 7
  1. Niet ons, o HEER, niet ons, Uw naam alleen
    Zij, om Uw trouw en goedertierenheên,
    All' eer en roem gegeven.
    Waarom, o HEER, zou 't heidendom, met spot,
    Dan zeggen: Waar, waar is toch nu hun God,
    Bij hen zo hoog verheven? 
  1. Vertrouwt op God, gij allen, die Hem vreest;
    Hij is altoos hun schild, hun hulp geweest.
    De HEER was ons gedachtig.
    Zijn zegen blijft op Israël verspreid;
    Aärons huis is die ook toebereid;
    God is getrouw en machtig. 
  1. Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot,
    Wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot.
    Hij zal ze groter maken,
    En z' u, zowel als 't kroost, dat gij bemint,
    Dat nevens u, zich aan Gods wet verbindt,
    In dubb'le maat doen smaken. 
Psalm 33 vers: 11
  1. Laat ons alom Zijn lof ontvouwen:
    In Hem verblijdt zich ons gemoed,
    Omdat wij op Zijn naam vertrouwen,
    Dien Naam, zo heilig, groot en goed.
    Goedertieren Vader,
    Milde zegenader,
    Stel Uw vriend'lijk hart,
    Op Wiens gunst wij hopen,
    Eeuwig voor ons open;
    Weer steeds alle smart. 
Psalm 105 vers: 1
  1. Looft, looft, verheugd, den HEER der heren;
    Aanbidt Zijn naam, en wilt Hem eren;
    Doet Zijne glorierijke daân
    Alom den volkeren verstaan,
    En spreekt, met aandacht en ontzag,
    Van Zijne wond'ren dag aan dag. 
Doop kinderen

De hoofdsom van de leer des Heiligen Doops is in deze drie stukken begrepen: Eerstelijk, dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns zijn, zodat wij in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden. a Dit leert ons de ondergang en besprenging met het water, b waardoor ons de onreinigheid onzer zielen wordt aangewezen; opdat wij vermaand worden, een mishagen aan onszelf te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelf te zoeken.
Ten tweede, betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop de afwassing der zonden door Jezus Christus. c Daarom worden wij gedoopt in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. d Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, e en daarom van alle goed ons verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of ten onzen beste keren wil. f En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wast in zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding inlijvende, g alzo dat wij van al onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat Hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeeigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk, de afwassing onzer zonden, en de dagelijkse vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden. h Ten derde, overmits in alle verbonden twee delen begrepen zijn, zo worden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij dezen enigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten, i de wereld verlaten, onze oude natuur doden, en in een nieuw godzalig leven wandelen. j En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben. En hoewel onze kinderen deze dingen niet verstaan, zo mag men ze nochtans daarom van den Doop niet uitsluiten, aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden; gelijk God spreekt tot Abraham, den Vader aller gelovigen, en overzulks mede tot ons en onze kinderen, zeggende, Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uwen zade na u.
Dit betuigt ook Petrus, met de woorden: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal. k
Daarom heeft God voormaals bevolen hen te besnijden, hetwelk een zegel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs was; l gelijk ook Christus hen omhelsd, de handen opgelegd en gezegend heeft; m
Omdat dan nu de Doop in de plaats der Besnijdenis gekomen is, zo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het rijk Gods en van zijn verbond, dopen; en de ouders zullen gehouden zijn hun kinderen, in het opwassen hiervan breder te onderwijzen.
Opdat wij dan deze heilige ordening Gods, tot zijn eer, tot onzen troost en tot stichting der gemeente uitrichten mogen, zo laat ons zijn heiligen naam aldus aanroepen: O Almachtige, Eeuwige God: Gij die naar uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met den zondvloed gestraft hebt, en den gelovigen Noach, zijn acht zielen, uit uw grote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij, die den verstokten Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt, en uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelke de Doop beduid werd; wij bidden U, bij uw grondeloze barmhartigheid, dat Gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien, en door uw Heiligen Geest uw Zoon Jezus Christus inlijven; opdat zij met Hem in zijn dood begraven worden, en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis, Hem dagelijks navolgende, vrolijk dragen mogen, Hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde; opdat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil, getroost, verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uw Zoon, zonder verschrikken mogen verschijnen, door Hem, onzen Heere Jezus Christus, uw Zoon, die met U en de Heiligen Geest, één enig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen. Vermaning aan de Ouders, en die mede ten Doop komen
Geliefden in den Heere Christus, gij hebt gehoord, dat de Doop een ordening Gods is, om ons en ons zaad zijn verbond te verzegelen; daarom moeten wij hem tot dat einde, en niet uit gewoonte of bijgelovigheid gebruiken. Opdat het dan openbaar worde, dat gij alzo gezind zijt, zult gij van uwentwege hierop ongeveinsdelijk antwoorden: Eerstelijk, hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelf onderworpen, of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente, behoren gedoopt te wezen?
Ten andere, of gij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament, en in de Artikelen des Christelijken geloofs begrepen is, en in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt, niet bekent, de waarachtige en volkomen leer der zaligheid te wezen?
Ten derde, of gij niet belooft en u voorneemt, deze kinderen, als zij tot hun verstand zullen gekomen zijn, waarvan gij vader (moeder) of getuige zijt, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen, of te doen (en te helpen) onderwijzen? Antwoord: Ja Daarna bij het dopen spreekt de Dienaar van het Goddelijke Woord:
ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Dankzegging
Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen, door het bloed van uw lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door uw Heiligen Geest tot lidmaten van uw eniggeboren Zoon, en alzo tot uw kinderen aangenomen hebt, en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt. Wij bidden U ook, door Hem uw lieven Zoon, dat Gij deze gedoopte kinderen met uw Heiligen Geest altijd wilt regeren, opdat zij christelijke en godzalig opgevoed worden, en in den Heere Jezus Christus wassen en toenemen; opdat zij uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hun en ons allen bewezen hebt, mogen bekennen, en in alle gerechtigheid, onder onzen enigen Leraar, Koning en Hogepriester, Jezus Christus, leven, en vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn ganse rijk strijden en overwinnen mogen, om U, en uw Zoon Jezus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den enigen en waarachtigen God, eeuwiglijk te loven en te prijzen. Amen.

Psalmen 115: 1 - 18
  1. Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
  2. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
  3. Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
  4. Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;
  5. Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
  6. Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;
  7. Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
  8. Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
  9. Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
  1. Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
  2. Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
  3. De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.
  4. Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.
  5. De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.
  6. Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
  7. Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven.
  8. De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
  9. Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
Thema: "Het houvast van de Naam van de HEERE"