03 April 2026 Liturgie 03-04-2026 19:00

Voorganger ds. F.A. Visser
Voorzang:
Psalm 22 vers: 12
  1. Gij, die God vreest, gij allen prijst den HEER;
    Dat Jacobs zaad Zijn groten naam vereer';
    Ontzie Hem toch, o Israël, en leer
    Vertrouwend wachten.
    Wie mij veracht', God wou mij niet verachten,
    Noch oor noch oog
    Van mijn verdrukking wenden;
    Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden
    Riep naar omhoog. 
Psalm 103 vers: 5 en 6
  1. Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,
    Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden.
    Hij is het, die ons Zijne vriendschap biedt.
    Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;
    Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,
    Hij straft ons, maar naar onze zonden niet. 
  1. Zo hoog Zijn troon moog' boven d' aarde wezen,
    Zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen,
    De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan;
    Zo ver het west verwijderd is van 't oosten,
    Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
    Van ons de schuld en zonden weggedaan. 
Psalm 61 vers: 2
  1. Leid mij, HEER; ik zou in 't stijgen
    Nederzijgen;
    Leid mij op een hoge rots.
    Wil mij tot een toevlucht wezen,
    Als voor dezen,
    's Vijands wreed geweld ten trots. 
Kolossenzen 2: 1 - 23
  1. Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien;
  2. Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus;
  3. In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.
  4. En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben.
  5. Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus.
  6. Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem;
  7. Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging.
  8. Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;
  9. Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;
  10. En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
  11. In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;
  12. Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.
  1. En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende;
  2. Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;
  3. En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.
  4. Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;
  5. Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.
  6. Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;
  7. En het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom.
  8. Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast?
  9. Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.
  10. Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen;
  11. Dewelke wel hebben een schijn rede van wijsheid in eigenwilligen gods dienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.
Psalm 40 vers: 4 en 8
  1. Brandofferen, noch offer voor de schuld,
    Voldeden aan Uw eis, noch eer.
    Toen zeid' ik: Zie, ik kom, o HEER;
    De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
    Mijn ziel, U opgedragen,
    Wil U alleen behagen;
    Mijn liefd' en ijver brandt:
    Ik draag Uw heil'ge wet,
    Die Gij den sterv'ling zet,
    In 't binnenst' ingewand.
  1. Verheug het volk, verblijd hen allen, HEER,
    Die naar U zoeken t' elken stond';
    Leg steeds Uw vrienden in den mond:
    Den groten God zij eeuwig lof en eer.
    Schoon 'k arm ben en ellendig,
    Denkt God aan mij bestendig;
    Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,
    Mijn redder, o mijn God,
    Bestierder van mijn lot,
    Vertoef niet, hoor mijn klacht. 
Verkondiging n.a.v. Kol 2:14 'Bevrijding in het kruis van Christus'
Psalm 34 vers: 11
  1. De HEER verlost en spaart
    Zijn volk, dat op Zijn hulp vertrouwt.
    Het zal, door Hem in gunst beschouwd,
    Niet schuldig zijn verklaard. 
Psalm 84 vers: 4
  1. Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;
    Elk hunner zal, in 't zalig oord
    Van Sion, haast voor God verschijnen.
    Let, HEER der legerscharen, let
    Op mijn ootmoedig smeekgebed;
    Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;
    Leen mij een toegenegen oor,
    O, Jacobs God, geef mij gehoor.