14 May 2026 Liturgie 14-05-2026 09:30

Voorganger: ds. F.A. Visser
Voorzang:
Psalm 47 vers: 3
  1. God vaart, voor het oog,
    Met gejuich omhoog;
    't Schel bazuingeluid
    Galmt Gods glorie uit.
    Heft den lofzang aan,
    Zingt Zijn wonderdaân,
    Zingt de schoonste stof,
    Zingt des Konings lof
    Met een zuiv'ren galm,
    Met een blijden psalm;
    Hij, de Vorst der aard',
    Is die hulde waard. 
Psalm 110 vers: 1 en 2
  1. Dus heeft de HEER tot mijnen HEER gesproken:
    Zit op den troon ter rechterhand naast Mij,
    Tot Ik de macht Uws vijands hebb' verbroken,
    En u zijn nek tot ene voetbank zij. 
  1. Uit Sion zal de HEER Uw schepter zenden,
    Den schepter van Uw oppermogendheid,
    En zeggen: Heers tot 's werelds uiterst' enden,
    Zover de macht Uws vijands zich verspreidt. 
Psalm 24 vers: 4
  1. Verhoogt, o poorten, nu den boog;
    Rijst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog;
    Opdat de Koning in moog' rijden.
    Wie is die Vorst, zo groot in eer?
    't Is God, d' almachtig' Opperheer;
    't Is God, geweldig in het strijden. 
Kolossenzen 3: 1 - 17
  1. Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit.
  2. Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn,
  3. want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.
  4. Wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
  5. Dood dan uw leden die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die afgoderij is.
  6. Door deze dingen komt de toorn van God over de ongehoorzamen.
  7. In deze dingen hebt ook u voorheen gewandeld, toen u in die dingen leefde.
  8. Maar nu, legt ook u dit alles af, namelijk toorn, woede, slechtheid, laster, en schandelijke taal uit uw mond.
  9. Lieg niet tegen elkaar, aangezien u de oude mens met zijn daden uitgetrokken hebt,
  1. en de nieuwe mens aangetrokken hebt, die vernieuwd wordt tot kennis, overeenkomstig het beeld van Hem Die hem geschapen heeft.
  2. Daarbij is niet Griek en Jood van belang, besnedene en onbesnedene, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar Christus is alles en in allen.
  3. Kleedt u zich dan, als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld.
  4. Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen.
  5. En kleedt u zich boven alles met de liefde, die de band van de volmaaktheid is.
  6. En laat de vrede van God heersen in uw harten, waartoe u ook in één lichaam geroepen bent; en wees dankbaar.
  7. Laat het woord van Christus in rijke mate in u wonen, in alle wijsheid; onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zing voor de Heere met dank in uw hart.
  8. En alles wat u doet met woorden of met daden, doe dat alles in de Naam van de Heere Jezus, terwijl u God en de Vader dankt door Hem.
Psalm 123 vers: 1 en 2
  1. Ik hef tot U, die in den hemel zit,
    Mijn ogen op, en bid;
    Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren,
    Om nooddruft te begeren,
    En 't oog der maagd is op haar vrouw geslagen,
    Om hulp of gunst te vragen;
    Zo slaan wij 't oog op onzen HEER, tot Hij
    Ook ons genadig zij. 
  1. Geef ons genâ, geef ons genâ, o HEER,
    En red ons tot Uw eer;
    Wij zijn reeds moe van al de schamp're woorden,
    Die wij van smaders hoorden;
    Ons treurig hart is moe van al het spotten,
    En 't honend samenrotten
    Der hovaardij, die need'rigen veracht,
    En weelderig belacht. 
Verkondiging n.a.v. Kol 3:1-2 'Een hemelgericht leven'
Psalm 73 vers: 12 en 13
  1. 'k Zal dan gedurig bij U zijn,
    In al mijn noden, angst en pijn;
    U al mijn liefde waardig schatten,
    Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
    Gij zult mij leiden door Uw raad,
    O God, mijn heil, mijn toeverlaat;
    En mij, hiertoe door U bereid,
    Opnemen in Uw heerlijkheid. 
  1. Wien heb ik nevens U omhoog?
    Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
    Op aarde nevens U toch lusten?
    Niets is er, waar ik in kan rusten.
    Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart
    Of bangen nood, mijn vlees en hart,
    Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
    Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed. 
Psalm 97 vers: 1 en 7
  1. God heerst als Opperheer;
    Dat elk Hem juichend eer';
    Gij, aarde, zee en eiland,
    Verheugt u in uw Heiland.
    Hem dekt met majesteit
    Der wolken donkerheid;
    Hij vestigt Zijnen troon
    Op heil'ge rijksgeboôn,
    Vol recht en wijs beleid. 
  1. Gods vriend'lijk aangezicht,
    Heeft vrolijkheid en licht
    Voor all' oprechte harten,
    Ten troost verspreid in smarten.
    Juicht, vromen, om uw lot;
    Verblijdt u steeds in God;
    Roemt, roemt Zijn heiligheid;
    Zo word' Zijn lof verbreid
    Voor al dit heilgenot. 
Herziene Statenvertaling
De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan de Herziene Statenvertaling © Stichting Herziening Statenvertaling (HSV)