17 May 2026 Liturgie 17-05-2026 18:30

Voorganger: ds. J.C. de Groot uit Dordrecht
Voorzang;
Psalm 104 vers: 17
  1. Ik zal, zolang ik 't levenslicht geniet,
    Gods mogendheid verheffen in mijn lied.
    Ik zal mijn God met lofgezangen eren,
    Terwijl ik nog op aarde mag verkeren.
    Mijn aandacht zal op Hem gevestigd staan,
    En met vermaak Zijn grootheid gadeslaan;
    Ik zal mij in den God mijns heils verblijden,
    En dag op dag aan Hem mijn psalmen wijden. 
Psalm 68 vers: 9
  1. Gods wagens, boven 't luchtig zwerk,
    Zijn tien- en tienmaal duizend sterk,
    Verdubbeld in getalen.
    Bij hen is Zijne Majesteit,
    Een Sinaï in heiligheid,
    Omringd van bliksemstralen.
    Gij voert ten hemel op, vol eer;
    De kerker werd Uw buit, o HEER!
    Gij zaagt Uw strijd bekronen
    Met gaven, tot der mensen troost,
    Opdat zelfs 't wederhorig kroost
    Altijd bij U zou wonen. 
Psalm 27 vers: 7
  1. Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
    Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
    Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
    Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
    Wacht op den HEER, godvruchte schaar, houd moed:
    Hij is getrouw, de bron van alle goed;
    Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
    Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER. 
Psalm 47 vers: 3 en 4
  1. God vaart, voor het oog,
    Met gejuich omhoog;
    't Schel bazuingeluid
    Galmt Gods glorie uit.
    Heft den lofzang aan,
    Zingt Zijn wonderdaân,
    Zingt de schoonste stof,
    Zingt des Konings lof
    Met een zuiv'ren galm,
    Met een blijden psalm;
    Hij, de Vorst der aard',
    Is die hulde waard. 
  1. Zingt des Hoogsten eer,
    Opdat ieder leer',
    Hoe Hij heerst alom
    Over 't heidendom;
    Hoe Hij van Zijn troon
    Geeft Zijn rijksgeboôn,
    Daar het al voor bukt,
    Eed'len, gans verrukt,
    Nu hun 't Godd'lijk licht
    Straalt in 't aangezicht,
    Delen in ons lot,
    Eren Abrams God. 
Psalm 95 vers: 2 en 3
  1. De HEER is groot, een heerlijk God,
    Een Koning, die het zaligst lot,
    Ver boven alle goôn, kan schenken.
    Het diepst van 's aardrijks ingewand,
    Het hoogst gebergt' is in Zijn hand;
    't Is al gehoorzaam op Zijn wenken. 
  1. Zijn' is de zee; z' is door Zijn kracht
    Met al het droge voortgebracht;
    't Moet alles naar Zijn wetten horen.
    Komt, buigen w' ons dan biddend neer;
    Komt, laat ons knielen voor den HEER,
    Die ons gemaakt heeft en verkoren. 
Psalm 72 vers: 10 en 11
  1. Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,
    't Gezegend heidendom
    't Geluk van dezen Koning prijzen,
    Die Davids troon beklom.
    Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
    Bekleed met mogendheên;
    De HEER, in Israël geprezen,
    Doet wond'ren, Hij alleen. 
  1. Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen;
    Men loov' Hem vroeg en spâ;
    De wereld hoor', en volg' mijn zangen,
    Met Amen, Amen na. 
Handelingen 1: 1 - 12
  1. Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren;
  2. Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.
  3. Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.
  4. En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt.
  5. Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
  6. Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israel het Koninkrijk wederoprichten?
  1. En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
  2. Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.
  3. En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
  4. En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
  5. Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
  6. Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd wordt de Olijf berg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
Tekst: Handelingen: 1: 8 en 9